Posts tonen met het label pastoor Engelbertus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label pastoor Engelbertus. Alle posts tonen

vrijdag 18 mei 2012

Onfrisse praktijken


Van onze plaatselijke verslaggever - Mevrouw Jansema, die nu een jaar in Dirkswoud woont, komt oorspronkelijk uit de Friese gemeente Gedeil, waar zij zich onder meer verdienstelijk maakte met het bloemschikken voor de diensten in de katholieke kerk. Om onduidelijke redenen moest zij van dit bloemschikken afzien. Zij verhuisde daarop naar Dirkswoud.
Pastoor Engelbertus de Zeeuw van de St. Claraparochie te Dirkswoud was aanvankelijk zeer blij dat mevrouw Jansema zich had aangemeld voor het bloemschikken: ‘We hadden jarenlang geen bloemschiksters in onze parochie. Onze dames werken allen zeer hard en ze zijn ook zeer godsvruchtig, maar fijne handjes: die zijn er helaas niet bij.’
Maar na een maand al kreeg mevrouw Jansema haar congé. Waarom? Mevrouw Jansema weet het niet. De pastoor wil zich hier niet over uitlaten.
Daarom hebben wij onze voelangels eens uitgelegd in de H. Caecilia-parochie te Gedeil, waar de koster van de katholieke kerk ons wist te vertellen dat in het bloemschikwerk van mevrouw Jansema steeds kleine kaartjes met daarop PIS en POEP en andere onfrisse teksten werden aangetroffen. Dát was de reden waarom mevrouw Jansema haar bloemschikwerk moest neerleggen!
Wij legden dit voor aan pastoor Engelbertus, die meteen ontkende dat dit de reden was van mevrouw Jansema’s ontslag. ‘Het heeft er wel mee te maken,’ aldus de pastoor, ‘maar het was nog een graadje erger wat mevrouw Jansema in onze kerk uithaalde.’

dinsdag 8 mei 2012

Ontdekking


Grote ontdekkingen zijn gedaan langs de Dirkswoudse Noordervaart, deze middag. Het ontstaan van de mens is opgelost, zegt pastoor Engelbertus.
- We zijn ontzettend blij met deze ontdekkingen door de Archeologische Dienst Dirkswoud, waarvan ons lid van de kerkeraad, meneer Gerard Pleunstra genoemd mag worden. De heer Pleunstra heeft misschien wel de belangrijkste ontdekking gedaan van het hele team.
- Welke ontdekking?
- Hij heeft de schedel gevonden van de oudste Dirkswoudenaar. En uit die schedel blijkt: 1. dat wij helemaal niet afstammen van de Batavieren of de Kaninefaten; 2. dat wij een afzonderlijk volk zijn geweest; 3. dat wij altijd christelijk zijn geweest.
- Altijd christelijk?
- Jazeker! Wij hebben een uit dezelfde periode stammende rozenkrans gevonden, óp de schedel van de oudste Dirkswoudenaar!
- Van welk jaar is dan dat skelet?
- Het is maar een schedel, maar wij schatten dat die van het jaar 400 is.
- Daarvóór moeten er toch ook...?
- Jawel, maar er zijn aanwijzingen, op die schedel, dat op het lichaam van de eerste Dirkswoudenaar aan de áchterzijde zich vleugels moeten hebben bevonden.
- Dat weet u zeker, pastoor?
- Dat vermoeden wij zeer zeker, ja.

maandag 7 mei 2012

Te biecht bij pastoor Engelbertus


- Wanneer ben je voor het laatst te biecht geweest?
- Een maand geleden ongeveer.
- Hmm. Zeg het maar, zoon.
- Ik heb de laatste tijd onzuivere gedachten, ehm, vader.
- Wat voor onzuivere gedachten?
- Nou, ik woon op de Zuidervaart, in de rijke buurt.
- Dat weet ik. Je woont er mooi.
- Jazeker. Waar ik woon, daar zitten een hoop eenden en zo. Nou ja, niet waar ik woon, maar in de buurt. In het water.
- Waar eenden normaal zitten, ja. Onkuise gedachten. Stremmingen.
- O ja. Moet ik namen noemen?
- Je mag namen noemen. Het is niet per se nodig, maar het kan noodzakelijk zijn.
- Dan noem ik één naam en dat is Jolanda van der Weert. Ze woont op Zuidervaart 19, dat is naast mij, en ze is nog maar negentien jaar, en ze is, zonder het zelf te weten, wonderschoon.
- Jo-lan-da Van der Weert, staat genoteerd. Is ze katholiek?
- Dat denk ik wel, ja. Ik heb haar ontvoerd.
- Hoe hebt u dat aangelegd?
- Met een bos bloemen.
- Dus niet met wapengekletter.
- Nee. Een bos rozen, dat deed het hem. Witte rozen. Want ze kwam langs mijn deur met een collectebus voor een aids-stichting of zoiets, ik zei nee, en toen pakte ik die rozen tevoorschijn — ze was al een deur verder — en ik zei: ‘Jolanda! Jolanda! Kijk eens!’ en toen kwam ze terug, en toen heb ik haar overmeesterd en binnengetrokken.
- En naakt uitgekleed!
- Niet meteen.
- Maar toch snel daarna!
- Nee, we hebben eerst nog naar de tv gekeken. Want ze houdt van mij, de Rijdende Rechter en zo.
- Maar daarna: naakt uitgekleed!
- We hebben elkaar eerst nog eens gekust, dat was nog voor het laatste Journaal.
- Maar wel: naakt uitgekleed!
- Uiteindelijk wel, vader, want toen was het tijd om naar bed te gaan. En wat er toen gebeurd is...
- Vertel het rustig, zoon.
- Toen vertelde ze dat haar broer Jeroen...
- Ja? ja?
- Dat haar broer Jeroen vernoemd was naar de heilige Hjeronymus.
- Meer niet?
- Nee, weinig meer.
- Geen geslachtelijke gemeenschap gehad?
- Neuh.
- Ook niet later met die Jeroen?
- Nee.
- Penitentie: tien weesgegroetjes en tien onzevaders.

De geslotenheid is puur

Wie wel eens in Dirkswoud is geweest, weet dat het er soms vreemd toegaat. Uit bakkerij Van der Strem, Westerweg 17, komt soms een lucht van krentenbollen vermengd met wierook, bijvoorbeeld. Je kunt dan wel informeren: waar is die wierook voor? Maar dat vertellen de Dirkswoudenaars je niet, dat vertellen ook de medewerksters van de bakkerij je niet.
Hetzelfde geldt voor de processies, die pastoor Engelbertus de Zeeuw een paar keer per jaar laat plaatsvinden. Daar moeten geen pottekijkers bij zijn, dus wordt het dorp afgesloten van de buitenwereld. Het schijnt dat de pastoor dan onder een baldakijn door het dorp loopt, maar het fijne weet ik er ook niet van en als ik er wel meer van wist, zou ik u er ook niet over vertellen.
Met Hugo Witser, redacteur van De Dirkswoudenaer, heb ik erover gesproken. Hij is mijn bron binnen Dirkswoud, als het gaat om de onverklaarbare zaken (bijvoorbeeld de Dubbele Moord van Dirkswoud in 1957).
‘De pastoor heeft ten eerste een geweldige positie in Dirkswoud. Dat moet je begrijpen. Invoelen. Daar moet je, zeg maar, in meedenken.’
‘Maar is zijn positie dan belangrijker dan bijvoorbeeld de positie van burgemeester Das?’
‘Veel belangrijker. Als je als raadslid niet naar de pijpen van de pastoor danst, kun je het wel vergeten.’
‘Hoe komt dat dan?’
‘Dat heeft te maken met zijn manier van mislezen, zal ik maar zeggen. Als hij een H. Mis doet, dan begint hij steevast met te zeggen, nee, te schreeuwen: Godverdomme, stilte! Iedereen is dan natuurlijk stil. En dan begint hij te brabbelen in het namaak-Latijn.’
‘Dus zeg maar dominus vobiscum enzovoorts.’
‘Ja. En ook de hele rest van saecula saeculorum en zo. Hij begeleidt ook het koor op zijn traporgeltje en hij zingt ook mee. Vals natuurlijk, maar dat heeft hem alleen maar populairder gemaakt bij de Dirkswoudenaars.’
‘Slimme man.’
‘Ja, hij is voorlopig onverslaanbaar.’

zondag 6 mei 2012

Pastoor Engelbertus


Je kunt in een praam (boât, in het Dirkswouds dialect) stappen, u kunt ook eens meegaan met een skarrelboât, een rondvaartboot, en u weet wel welke teksten je dan worden toegevoegd: ‘Rechts ziet u het huisje, rechts meneer, en daar hep Aleida Knol nog woond.’
Ja ja, denk je dan, maar wie was Aleida Knol dan wel? Een schrijfster, een schilderes, een grootindustrieel feministe? Niets van dat al. Aleida Knol blijkt de huishoudster (haaishouster) van pastoor Engelbertus de Zeeuw te zijn geweest. Aan dit soort kleinigheden merkt men dat er in Dirkswoud wat anders tegen de dingen wordt aangekeken dan elders.
‘Ik ijver,’ zei pastoor Engelbertus me eens, ‘tegen de verdere afkalving van de moraal! En ik ijver vóór de afschaffing van de scheiding van kerk en staat! Nu hebben de mensen twee instanties boven zich, dat kan er best één worden, bestrijdende ook nog eens het begrotingstekort.’
Engelbertus is, behalve pastoor en herder van zijn trouwe kudde, ook de organist van de St. Clarakerk. ‘Dat heb ik gedaan om de heren in Den Haag eens duidelijk te maken hoe wij in de kerk bezuinigen: de organist was hier onnodig en is dus wegbezuinigd, want ikzelf bespeel tamelijk vaardig het harmonium dat naast het altaar staat. Het is een gewoon traporgeltje en daarop begeleid ik alle gezangen, zoals het Sanctus, het Agnus Dei en zo meer.’
Gevraagd naar hun mening over pastoor Engelbertus, is vrijwel iedere Dirkswoudenaar enthousiast. De heer Pieter Bruinsma, lid van het kerkkoor: ‘Een man van stavast. Een ijzeren wil, wat zeg ik, ijzer roest nog. Een roestvrijstalen wil. Als hij zegt: Nu gaan we het Credo zingen. Pagina negen. Dan weet het hele koor ook dat dat Credo ongeveer op de pagina’s zeven, acht, negen, tien of elf moet staan. Nooit verwarring in de kerk.’
Nee, verwarring is er nooit onder de bezielende leiding van deze christenpriester. De parochie luistert goed naar hun leidsman, want ‘preken dat kan ie’, wordt alom beweerd. Ik moge daar iets tegenin brengen. Vraag hem eens of God bestaat. Dan zal hij ja zeggen. Wáár bestaat Hij dan, vraag je door. En dan komt er een heel verhaal over de menselijke ziel en het hart, want daar zou Hij zich dan bevinden. ‘Daar lees ik anders nooit iets over in de biologieboekjes, thuis,’ besluit je de conversatie.
Ook is zijn orgelspel slecht.